Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0467

Datum uitspraak2006-10-18
Datum gepubliceerd2006-10-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/5668 ZW, 05/5995 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Ontbreken van deugdelijke motivering in besluit over toename van arbeidsongeschiktheid en in besluit over weigering toekenning ziekengeld.


Uitspraak

04/5668 ZW, 05/5995 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 2 september 2004, 04/148 (hierna: aangevallen uitspraak 1), en van 25 augustus 2005, 05/1268 (hierna: aangevallen uitspraak 2) in de gedingen tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 18 oktober 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. R.M.T. van Diepen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft verweerschriften ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2006. Voor appellant is verschenen mr. Van Diepen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede. II. OVERWEGINGEN Appellant was werkzaam als monteur-bankwerker bij RDM Technology te Rotterdam, toen hij op 16 oktober 1999 uitviel vanwege een hernia. Het Uwv kende appellant met ingang van 17 oktober 2000 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Een medisch heronderzoek vond plaats op 8 juni 2001. De verzekeringsarts heeft informatie ingewonnen bij de behandelend neurochirurg en met inachtneming van die informatie op 24 augustus 2001 de voor appellant geldende beperkingen neergelegd in een belastbaarheidspatroon. De arbeidsdeskundige heeft zeven functies geselecteerd en het verlies aan verdiencapaciteit, op basis van de mediane loonwaarde van de drie hoogstverlonende functies, berekend op 35,3%. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 5 oktober 2001 de WAO-uitkering met ingang van 5 december 2001 herzien en verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Naar aanleiding van een ziekmelding per 13 mei 2002 is appellant op 6 juni 2002 op het spreekuur gezien door een arts. Blijkens het afschrift van de medische kaart heeft die arts aangegeven dat sprake is van toename van de klachten, dat appellant in verband met Amber naar het WAO-spreekuur moet worden verwezen en dat een uitsteltermijn van twee maanden moet worden gegeven. In het kader van het bezwaar tegen het besluit van 5 oktober 2001 heeft appellant op 26 juni 2002 het spreekuur bezocht van een bezwaarverzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft aanleiding gevonden het belastbaarheidsprofiel op een aantal punten te wijzigen en te verduidelijken ten aanzien van de implicaties van de gewenste afwisseling tussen zitten, staan en lopen. Arbeidskundig onderzoek heeft uitgewezen dat van de zeven functies, vier functies vervallen omdat de belasting in die functies uitkomt boven de belastbaarheid van appellant, terwijl in één fb-code een andere functie is gevonden, die wel voldoet aan het opgestelde belastbaarheidspatroon. De bezwaararbeidsdeskundige heeft het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 37,9%, leidend tot handhaving van de indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%. Het Uwv heeft bij besluit van 31 juli 2002 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 oktober 2001 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld. Op 9 september 2002 is appellant door een arts gezien in het kader van zijn aanspraken op ziekengeld, welke arts hem nog steeds ongeschikt achtte tot het verrichten van zijn arbeid. De arts E.J.M. Royberghs heeft op 10 september 2002 een medisch onderzoek in het kader van de Wet Amber verricht. In zijn rapport van diezelfde datum heeft hij de conclusie getrokken dat gezien zijn onderzoeksbevindingen niet valt te stellen dat er een afname van de benutbare mogelijkheden is in vergelijking met de benutbare mogelijkheden zoals deze zijn aangegeven door de bezwaarverzekeringsarts op 26 juni 2002. Tijdens het ZW-spreekuur op 1 november 2002 is appellant met ingang van 4 november 2002 hersteld verklaard. Bij besluit van 1 november 2002 heeft het Uwv beslist appellant met ingang van 4 november 2002 geen ziekengeld (meer) te verstrekken. Bij besluit van 8 december 2003 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 november 2002 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 bij aangevallen uitspraak 1 gegrond verklaard en bestreden besluit 1 vernietigd omdat in de bezwaarprocedure niet is voldaan aan de plicht om appellant te horen. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten, omdat naar het oordeel van de rechtbank het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant met ingang van 4 november 2002 weer in staat moet worden geacht de bij de WAO geduide functies te verrichten zodat hij met ingang van 4 november 2002 geen recht meer had op ziekengeld. Het Uwv heeft bij besluit van 28 oktober 2004 naar aanleiding van de melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid sinds 13 mei 2002 geweigerd de WAO-uitkering van appellant te verhogen. Volgens het Uwv is de arbeidsongeschiktheid van appellant na 13 mei 2002 niet toegenomen. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 oktober 2004 heeft het Uwv bij besluit van 8 februari 2005 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 bij aangevallen uitspraak 2 ongegrond verklaard. De Raad zal allereerst een oordeel geven over aangevallen uitspraak 2 en overweegt in dat verband het volgende. Anders dan de rechtbank en met de gemachtigde van appellant is de Raad van oordeel dat bestreden besluit 2 in rechte geen stand kan houden. Aan bestreden besluit 2 ligt primair ten grondslag een rapportage van de arts Royberghs van 10 september 2002. Blijkens deze rapportage heeft Royberghs, zoals hiervoor al is aangegeven, de aard en de ernst van de medische problematiek vergeleken met de situatie zoals die is aangegeven door de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 26 juni 2002. Uit dit rapport kan echter worden opgemaakt dat de bezwaarverzekeringsarts heeft vastgesteld dat de medische toestand van appellant ten tijde van zijn onderzoek niet dezelfde is als op de datum in geding (zijnde in dat geval 5 december 2001). De bezwaarverzekeringsarts heeft daaraan toegevoegd dat zijn huidige bevindingen bij anamnese en onderzoek niet direct vertaald kunnen worden in termen van een FIS-belastbaarheidsprofiel dat geldig is op die datum in geding. Hij heeft vervolgens het FIS-belastbaarheidsprofiel, geldend voor de datum in geding, wel aangepast maar daaraan ligt ten grondslag zijn standpunt dat de weergave van de beperkingen door de primaire verzekeringsarts op sommige onderdelen niet voldoende tegemoet komt aan de eis dat appellant volgens de primaire verzekeringsarts slechts sterk rugsparend werk kan verrichten. Anders dan kennelijk Royberghs meent heeft de bezwaarverzekeringsarts geen FIS-belastbaarheidsprofiel opgesteld, geldend voor de actuele situatie zoals hij die op 26 juni 2002 aantrof, terwijl op die datum wel sprake was van toegenomen beperkingen ten opzichte 5 december 2001. Het standpunt van Royberghs kan niet gedragen worden door de daaraan ten grondslag liggende motivering en is in strijd met zowel het medisch oordeel van de bezwaarverzekeringsarts op 26 juni 2002 als het medisch oordeel van de arts die appellant in het kader van zijn aanspraken op ziekengeld op 6 juni en 9 september 2002 heeft gezien en die appellant ongeschikt achtte voor zijn arbeid. De bezwaarverzekeringsarts heeft blijkens zijn rapport van 20 januari 2005 in het kader van de beoordeling van het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 oktober 2004 geen medische argumenten gevonden om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts, zodat ook deze rapportage dezelfde gebreken vertoont als de rapportage van Royberghs. Bestreden besluit 2 komt, gelet op voorgaande overwegingen, wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking. Uit de gedingstukken kan worden opgemaakt dat de weigering ziekengeld te verstrekken met ingang van 4 november 2002 (deels) is ingegeven door de stelling van Royberghs dat geen sprake is van een afname van de benutbare mogelijkheden. Gelet op de overwegingen van de Raad ten aanzien van deze stelling van Royberghs, concludeert de Raad dat bestreden besluit 1 evenmin op een juiste motivering berust. Bestreden besluit 1 komt eveneens vanwege strijd met artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Uit het vorenstaande vloeit voort dat ook de beide aangevallen uitspraken vernietigd dienen te worden. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.288,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 966,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 2.254,-. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraken; Verklaart de beroepen tegen bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2 gegrond en vernietigt die besluiten; Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 2.254,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 273,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C. Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006. (get.) Ch. van Voorst. (get.) P.H. Broier. Gw